Waterwantsen

Waterwantsen zijn vreemd om te zien en sommige kunnen behoorlijk bijten. Andere hebben alleen maar hun naam tegen.

bootsmannetje of rugzwemmerBootsmannetjes, ook wel rugzwemmers genoemd, zijn een soort wants die in elk soort zoet water voorkomt. Er zijn meerdere soorten die echter sterk op elkaar lijken. Het bootsmannetje heeft lichaam dat lijkt op een omgekeerd bootje. De kleur is bruin en de rug is roze.  Hij lijkt op de duikerwants en de zwemwants, maar duikerwantsen zijn smaller en zwemwantsen zijn breder. Hij wordt ongeveer 1,5 cm groot. Jonge bootsmannetjes zijn eerst wit met opvallende rode ogen en krijgen later de volwassen kleuren. Vanwege de krachtige kaken kunt u er maar beter vanaf blijven want ze kunnen u pijnlijk bijten. Ze worden dan ook wel waterbij of waterwesp genoemd. Ze steken echter niet want ze hebben geen angel,  maar ze bijten en hard ook! Het bootsmannetje is zowel een goede zwemmer als een goede vlieger, lopen op het land gaat hem minder goed af want dat lijkt meer op huppelen. Het meest  opvallend is natuurlijk dat hij op zijn rug zwemt. Dit doet hij om zijn prooi beter waar te kunnen nemen. Het is een echte oppervlakterover die alles aanvalt dat beweegt zoals kleinere vissen, kikkervisjes, insecten, wormen en zelfs soortgenoten. Het bootsmannetje is een veelvraat die veel vissen- en amfibieënlarven opeet. Toch zijn ze ook nuttig omdat ze grote hoeveelheden muggenlarven eten die mensen liever kwijt dan rijk zijn. Vijanden van het bootsmannetje zijn kikkers en padden maar de meeste vissen blijven terecht liever bij hem uit de buurt. Mocht u ooit een vis constateren die op zijn zij zwemt dan is hij waarschijnlijk gebeten door een bootsmannetje. Grotere vissen komen daar meestal wel overheen, kleinere vissen sterven helaas vaak wel aan de beet van een bootsmannetje.

schaatsenrijderDe schaatsenrijder heeft een erg smal lichaam met kleine vleugels en vier lange poten waarmee relatief snel over het wateroppervlak bewogen kan worden. De kleur is bruin tot zwart en de buikzijde lichter, de maximale lengte ongeveer 12 mm zonder poten en antennes. Schaatsenrijders lijken sterk op vijverlopers en beeklopers, andere wantsen die op het wateroppervlak leven. Het verschil is dat een vijver- of beekloper hoger boven het water uitsteekt, loopt en niet 'schaatst' en zes duidelijke poten heeft. Een schaatsenrijder heeft er ook zes, maar het voorste paar zit helemaal bij de kop en is veel kleiner en tang-achtig. De schaatsenrijder beweegt zich voort door met de pootjes te roeien, en zo kleine golfjes te veroorzaken. Hier zet een schaatsenrijder zich tegen af en doordat de poten schoksgewijs worden bewogen, lijkt de voortbeweging sterk op schaatsen. De middelste poten zijn de 'roeipoten' en de achterste zijn de 'stuurpoten'. Een schaatsenrijder kan dus over het water rennen, maar hij kan ook onder water duiken. Het vermogen om over het water te lopen dankt de schaatsenrijder aan het feit dat er onder de pootjes en ook op de buik talloze kleine haartjes zitten die het water afstoten. Daardoor zijn ze in staat om een dun laagje lucht vast te houden dat zorgt voor het drijfvermogen. De schaatsenrijder jaagt en eet ook op het wateroppervlak, en het voedsel bestaat uit kleine dieren die in het water vallen en niet kunnen zwemmen. Voorbeelden zijn kleine kevertjes en vliegjes maar ook wel kleine waterinsecten die naar boven komen om adem te halen zoals muggenpoppen. Ook amfibieënlarven worden gegeten. Met de voorste, tangachtige poten worden de prooien gegrepen en vastgehouden, en vervolgens door de zuigsnuit doorboord en leeggezogen.

vijverloperDe vijverloper is een wants van 9 tot 12 mm lang en heeft een zeer dun en langwerpig lichaam met lange sprietpoten en antennes. De kleur is zwart met een blauwe gloed. De kop is zeer langwerpig, de ogen zijn ongeveer op een derde van de koplengte vanaf het borststuk gepositioneerd. Deze vrij algemeen voorkomende oppervlaktewants jaagt op insecten die bovenkomen om adem te halen en op in het water gevallen insecten. Hij is overdag actief en verschuilt zich in bijvoorbeeld snoekkruid of moerashyacint. De vijverloper lijkt uiterlijk enigszins op de beekloper en de schaatsenrijder, maar beide soorten behoren tot andere families. De vijverloper is veel dunner dan de beekloper en heeft geen schokkende voortbeweging zoals de schaatsenrijder. De vijverloper loopt traag en hoog op zijn dunne poten, en houdt zich bij voorkeur in de begroeide oeverzone op. Alle poten worden gebruikt voor de voortbeweging, de prooien, zoals watervlooien, worden beslopen en met de lange zuigsnuit leeggezogen.

beekloper

De beekloper is een wants van 6 tot 9 mm en is langwerpig van vorm.Hij heeft een zwarte kleur en aan iedere zijde van het achterlijf zit een rij rode tot oranje vlekken. Aan de binnenzijde van de rode vlekken zit een rij kleinere witgele vlekjes, de onderzijde van de wants is roodoranje. Op het halsschild zitten twee oog-achtige witte vlekken. De bovenzijde van het lijf is plat en de zijkanten staan iets omhoog. Het lichaam is niet zo langgerekt en dun als de vijverloper die meer op een wandelende tak lijkt, maar meer gedrongen en breder. De poten zijn kort maar breed en met de voorpoten worden prooien gegrepen die door de zuigsnuit worden doorboord en leeggezogen. De beekloper schroomt niet om prooien aan te vallen die groter zijn als hijzelf. De beekloper is een echte jager die vanaf de kant het wateroppervlak afspeurt op zoek naar in het water gevallen prooien die het hoofdvoedsel uitmaken. Ook onder water hangende dieren als muggenlarven worden wel gegrepen. De beekloper kan zelfs op het land worden aangetroffen, en is soms het hele jaar actief vanwege de hoge tolerantie voor lagere temperaturen. In tegenstelling tot de veel delicatere schaatsenrijder leeft de beekloper liefst in stromende wateren met weinig oeverbegroeiing.

duikerwantsDe duikerwants is er in meerdere soorten en komt voor in vrijwel alle sloten, plassen en vijvers.
Duikerwantsen lijken wel iets op bootsmannetjes, maar zijn te onderscheiden door een mindere ‘bootjesrug’, een geheel bruine kleur en een rondere achterzijde. Ook zwemt de duikerswants, in tegenstelling tot het bootsmannetje, niet op de rug en blijft hij kleiner, namelijk maximaal 12 millimeter.
Net zoals andere in het waterlevende wantsen heeft de duikerswants vleugels om van het ene naar het andere water te kunnen vliegen. De vleugels zitten onder de dekvleugels en zijn in rust niet te zien. Het menu van de duikerswants bestaat niet uit levende prooien zoals bij veel andere soorten waterwantsen wel het geval is. Hij eet voornamelijk plantaardig materiaal, algen en soms dood dierlijk materiaal. De duikerswants speurt voornamelijk op de bodem naar voedsel, maar af en toe moet hij naar de oppervlakte om adem te halen.  Dan steekt hij zijn kop iets boven water terwijl hij op het wateroppervlak drijft. Hij heeft dus geen adembuis zoals veel andere waterwantsen wel hebben. De lucht wordt vastgehouden op de rug tussen de dekschilden en kan worden waargenomen als een zilverachtig belletje. Daarna duikt hij weer naar beneden om naar voedsel te zoeken.

zwemwantsDe zwemwants heeft een ovaal, plat lichaam en de rode ogen zijn niet rond maar enigszins langwerpig waardoor ze altijd gemeen lijken te kijken. Het zijn roofzuchtige jagers en naast de geelgerande watertor het meest geduchte roofinsect in het water. In Nederland en België is de soort zeer algemeen voorkomend. De zwemwants is makkelijk te herkennen aan het brede lijf en grote poten. De maximale lengte is ongeveer 16 mm. De voorste poten van de zwemwants zijn geen kaken, hoewel ze er sterk op lijken en ook die functie vervullen en de prooi verknippen. Ze zijn zo krachtig dat een zwemwants zelfs bij een mens pijnlijke wonden kan toebrengen als hij wordt vastgepakt. De prooien die gevangen worden zijn soms wel twee keer zo groot als de wants zelf en omvat kleine vissen, kikkervisjes en waterinsecten en de larven ervan. Zwemwantsen zijn snelle en behendige zwemmers en hebben wel vleugels, maar kunnen daar niet mee vliegen zoals andere waterwantsen. Op het land kunnen ze juist in tegenstelling tot veel andere waterwantsen redelijk snel lopen.  Ze kunnen langere tijd op het land overleven omdat ze geen kieuwen hebben en niet snel uitdrogen. Ademhalen doet de wants door het achterlijf net iets boven de waterspiegel te steken, de lucht wordt vastgehouden door kleine haartjes op de buikzijde van de wants die dan ook dichtbehaard is. De zwemwants leeft in stilstaand, schoon en liefst dichtbegroeid water.

staafwants

De staafwants, of waterstaafwants, is verwant aan de waterschorpioen, maar deze laatste soort is veel breder en makkelijk te onderscheiden. In Nederland en België is de staafwants vrij algemeen, en leeft in permanente en stilstaande wateren tussen de waterplanten vlak onder het wateroppervlak zodat de wants makkelijk adem kan halen. Zoals veel waterinsecten heeft de staafwants een dunne adembuis, die bij deze soort ongeveer de helft zo lang is als het lichaam en aan een angel doet denken. De meeste waterinsecten, zoals kevers, zijn snel en duiken op, maar de staafwants is erg traag en moet dicht bij het oppervlak blijven. Het lichaam en de poten zijn zeer dun en langgerekt, en de kleur is donkerbruin. Hierdoor lijkt de wants op het eerste gezicht sprekend op een wandelende tak, die echter behoort tot een totaal andere groep van insecten. Onder de dekvleugels en (onbruikbare) vliezige vleugels is een felrood achterlijf te zien. De lengte van de staafwants is ongeveer 4 cm exclusief de 3 cm lange adembuis. De staafwants is een zeer sloom insect dat maar zelden beweegt en meestal roerloos tussen de takken zit, loerend op een prooi. Bij gevaar houdt de wants zich dood en lijkt dan op een takje. Net zoals de waterschorpioen is het een trage zwemmer, die het verliest van de geringste stroming en daardoor alleen in stilstaande wateren voorkomt. De staafwants komt niet ver uit de buurt van de oever en houdt van rustige wateren. Door de lange adembuis kan de staafwants ook op iets grotere diepte wachten op zijn prooi zonder naar de oppervlakte te hoeven komen. Het is een passieve jager die jaagt op alles wat kleiner is dan hijzelf en pas beweegt als er iets langskomt. Dan schiet de staafwants naar voren en klemt de prooi tussen de voorpoten. Soms wordt ook op de oever op kleine ongewervelde dieren gejaagd. Op het menu staan allerlei kleine waterdieren als visjes, kikkervisjes en insecten en de larven. Als de prooi gevangen is wordt deze naar de monddelen gebracht, ingespoten met verteringssappen en leeggezogen. De eitjes worden door de vrouwtjes in stengels van waterplanten afgezet en komen na twee tot drie weken uit. Ieder eitje heeft twee kleine adembuisjes, een eitje van de waterschorpioen heeft veel meer adembuisjes. De nimfen zijn na twee maanden volwassen. Jonge staafwantsen lijken al uit het ei op de ouderdieren, maar missen de vleugels die pas verschijnen na de laatste vervelling. Ook hebben de nimfen een relatief kortere adembuis die met de tijd langer wordt. De nimfen eten ook wat kleinere prooien en zijn zeer kannibalistisch. Hele jonge nimfen zijn nog te klein en te licht om zich onder water te vast houden en hangen aan de adembuis net onder het wateroppervlak. Opmerkelijk is dat veel staafwantsen die in de natuur worden aangetroffen bezaaid zijn met kleine, rode balletjes. Dit zijn rode watermijten en staafwantsen kunnen zich daar simpelweg niet van ontdoen; ze zijn er te stijf voor.

waterschorpioenDe waterschorpioen is een van de soorten uit de familie waterschorpioenen waar ook de staafwants toe behoort. De laatste ziet er totaal anders uit, maar kent ook sterke overeenkomsten. Net als de staafwants behoort de waterschorpioen tot de wantsen, is dus een insect en géén schorpioen. De naam is te danken aan het platte, brede lijf, het schaar-achtige voorste potenpaar en de 'stekel' aan het achterlijf, die in werkelijkheid een adembuis is, maar die doet denken aan een schorpioen. Ze zijn echter volstrekt onschuldig voor u als vijverbezitter. Het uiterlijk heeft veel weg van een blad, een zeer plat ovaal lichaam van een donkerbruine kleur met een iets gegroefde rug die aan nerven doet denken. Opvallend zijn de voorpoten, die helemaal vooraan bij de kop zitten en eerder doen denken aan monddelen. Deze voorpoten zijn dikker en korter en zijn tang-achtig; ze doen denken aan de vangarmen van bidsprinkhanen of de scharen van kreeftachtigen. Aan het achterlijf bevindt zich een lang en dun uitsteeksel dat aan een angel doet denken, en daaraan danken ze de Nederlandse naam. Dit is echter een adembuis die regelmatig boven water wordt gestoken om te kunnen ademen. De waterschorpioen leeft in rustige, permanente wateren met liefst stilstaand, helder water. Het biotoop bestaat uit waterplanten dicht bij de oever. Het is een sloom dier, dat niet snel kan zwemmen en volledig vertrouwt op de camouflage. De maximale lengte is ongeveer 3 cm exclusief de adembuis die meer dan de helft van de lengte uitmaakt. Zoals veel wantsen heeft ook deze soort vleugels maar vliegt zelden of nooit. Bij volwassen exemplaren zijn deze vleugels en het achterlijf hieronder felrood tot roze van kleur. Omdat de vliegvleugels en het achterlijf echter onder de dekvleugels zitten zijn ze in rust niet te zien. Het voedsel bestaat uit kleine waterdieren zoals visjes, andere insecten en in de lente vooral kikkervisjes.

Verder naar libellen, waterjuffers, muggen en ander vliegend gespuis